Fladderkunst 5 Ik speel nóóit meer met jou!

“Ik speel nóóit meer met jou!”, loeit het door het gangpad van de plaatselijke supermarkt. “Ik speel nooit meer met jou, ik speel alleen nog met papa en ik gaat nooit meer meelopen met jou!”. Daar staat Sil van drie en hij is boos, hij is héél, héél, héél boos. Waar hij net nog alle boodschappen ZELF opzocht, ZELF uit de schappen pakte en ZELF in zijn karretje deed…gooit hij ze nu ZELF uit de kar. Het is menens, hij is er goed zat van. De toevoeging; “en ik gaat ook nóóit meer met jou fietsen!”, maakt dit duidelijk. Meer munitie – in de vorm van erge dingen om te zeggen- heeft hij niet, dus slaat hij me met een behoorlijke slag op mijn linkerwang en begint dan héél, héél, héél hard te huilen. Onmacht, woede en frustratie rollen in dikke tranen zijn kleine lijfje uit en mama (die nóóit meer met hem mag spelen) moet hem vastpakken en vangt de tranen op.
Af en toe moet je als driejarige wel hard van je af brullen. Het moet keer op keer lijken alsof de hele wereld vol zit met (vriendelijke, goed bedoelende en behulpzame) grote mensen. En al die lieve -wij-kunnen-alles-en-helpen-jou-wel-even-want-jij-kan-het-vast-nog-niet-alleen- mensen, kom je als driejarige overal en nergens tegen. Ze sturen ongevraagd je boodschappenwagentje bij als je bijna tegen de stellage botst. Ze vegen maar wat graag de pindakaas van je wangen. Ze geven je fiets een zetje wanneer één van de zijwieltjes klem komt te zitten tussen de stoeptegels. Ze knopen je sjaal vast als die wappert in de wind. Ze tillen je behendig over verse regenplassen heen etc. Ja, de grote mensen, ze smeren, aaien, snijden, schenken, pakken, ritsen, schillen, schuiven en ruimen wat af. Dan brul je als driejarige het liefst: ”Ik kan mijn kar best duwen en botsen is leuk, ik geef niet zo om pindakaas op mijn wangen dat snoep ik er later wel af, kom niet aan mijn fiets die is van MIJ, mijn sjaal lijkt net een vlaggetje in de wind dus ik wil hem juist los, ik hoef niet getild over een regenplas, ik wil er dwars doorheen…. al dat smeren, aaien, snijden, schenken, pakken, ritsen, schillen, schuiven en ruimen, ik kan het best ZELF!!”
En je brult het uit, want het is best lastig voor grote mensen om te zien dat jij ook een ZELFje bent met een eigen wil en een eigen kijk op de wereld. De mensen die getuige zijn van de hartstochtelijke inzet in de supermarkt zeggen: “zo daar zit een kop op!” en “Poehhh die weet wel wat’tie wil!”. En ja, die ‘kop’ van onze Sil wordt iedere dag een beetje groter en zijn ‘wil’ wint steeds meer terrein. Voor Sil en een hoop andere leergierige, nieuwsgierige en zelfbewuste peuters is het is belangrijk dat grote mensen dit opmerken. Dat de ‘grote mensen’ de ‘kleine mensen’ zo veel mogelijk ruimte geven om in vertrouwen -met vallen en opstaan- op te groeien tot (vriendelijke, goed bedoelende en behulpzame) grote mensen! …. Anders…anders… speelt hij nooit meer met jullie!

3 Comments. Leave new

Haha,
Bedankt Hanna deze ga ik onthouden als Merel in zo’n bui zit!

Beantwoorden

Super!! Leuk geschreven! Ik heb er eentje van 2, die kan er ook wat van. Laatst stond het raam van de auto open. Hij zei; het raam staat open! Moet ik het nou nog een keer zeggen? Moet ik het nog 13x zeggen? ….. Ik bedruip het….

Beantwoorden

De kunst van het afwachten en laten ervaren is wel dat jij straks op de knieen door de supermarkt kruipt om al die blikjes bij elkaar te rapen…Mooi geschreven jeziet het voor je!

Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *